Een oorblazer scheidt de voornaamste vriend.Spreuken 16: 28
Oorblazer, een mooi woord dat we in onze dagelijkse conversatie niet of nauwelijks gebruiken. In de NBV en de Goudse bijbel komt het woord niet meer voor. Toch zijn er mensen die het elke dag doen: in je oor blazen, kwaadspreken, roddelen, lasteren. Misschien hebt u er geen last van, maar ik ken er velen die er mee behept zijn. U kent wel de uitdrukking: niets menselijks is hem vreemd. Daarom lijkt het me verstandig om er rekening me te houden dat u en ik ook niet vrijuit gaan in het roddelcircuit. Erger nog: ik denk dat we er bij horen en soms kunnen de gevolgen van ons ‘oorblazen’ desastreuze gevolgen hebben.
Wat is roddel? Het woordenboek van Van Dale omschrijft het ongeveer als volgt: kwaadsprekerij, over iemand praten in ongunstige zin en waarbij met een zeker genoegen dikwijls het één of het ander wat overdreven voorgesteld wordt.
Waarom zouden we dat niet moeten doen? Allereerst omdat de Heere God het niet wil en dan omdat het gedaan wordt in liefdeloosheid tot de naaste.
De spreukendichter zegt in de tekst dat het vriendschappen kapot maakt. Daarbij moeten we ook maar denken aan door roddel verstoorde familierelaties, verdeeldheid in kerk en samenleving, beschadiging en aantasting van iemands goede naam. Roddel kan een goede reputatie beschadigen en is een voedingsbodem voor nijd, twist en jaloezie. De dichter zegt: Zondig niet met je mond en laten je lippen geen verkeerde dingen zeggen (zie Spreuken 4:24).
De apostel Jacobus heeft het er ook over. Onze tong is klein, roemt grote dingen, en veroorzaakt een wereld van ongerechtigheid, een onbedwingelijk kwaad vol dodelijk venijn.
Het licht zo maar voor de hand te roddelen bij een bezoek, een gezellig etentje, tijdens de autorit, via de telefoon, op straat en bij een ontmoeting in de supermarkt. U kunt zelf ook nog wel gelegenheden en manieren bedenken om het op een negatieve manier over derden te hebben.
Er zijn om er af te komen een aantal vragen die we ons zouden moeten stellen en steeds vooraf moeten bedenken in de ontmoeting met anderen. Allereerst: is het waar wat ik heb gehoord of kan het een onwaar gerucht zijn? Dan: is het ook van enig nut voor anderen om het te weten en bijzonder belangrijk ook: was het een vertrouwelijke mededeling, waarbij de zegsman/-vrouw een beroep deed op betrouwbaarheid en geheimhouding?
Het kan zijn dat het spreken met iemand over iemand met dezelfde woorden als roddel het toch niet is. In verantwoordelijkheid voor elkaar kan het goed zijn om hulp of raad te vragen vanuit de bereidheid een naaste met liefde in zijn moeilijkheden bij te staan. Met het doel om zo iemand weer op het rechte pad te helpen. Dat is geen roddel.
Ook wanneer iemand zijn probleem wil delen met een ander die hij zijn vertrouwen schenkt, zijn ‘hart wil luchten’ om op die manier een en ander te verwerken en samen de last te dragen (zie Galaten 6: 2) is dat geen roddel. Dat wordt het zodra het aan allerlei mensen verder verteld wordt. Dan wordt het gestelde vertrouwen beschaamd en kan het onherstelbare schade toebrengen.
Het is moeilijk om in dit verband rede en roddel uit elkaar te houden en het kan zomaar ongewild uit de hand lopen. Daarom is er alle reden voortdurend alert te zijn zodat we ons niet vergalopperen en ongemerkt onze mond voorbij praten.
De dichter van psalm 141 bidt daarom tot de Heere God. Zet een wacht voor mijn mond en behoed de deur van mijn lippen. Dat geve God aan u en mij: een wacht bij de deur!
Iz. Born
|