Na Goede vrijdag – overdenking goede vrijdag 2016

En het Woord van God verbreidde zich, en een grote menigte priesters werd aan het geloof gehoorzaam” .Hand. 6: 7c

Kerk en wereld hebben de Heere Jezus opgeruimd. Even buiten Jeruzalem op Golgotha is Hij gekruisigd. Er zijn nog een aantal volgelingen, die ook na Zijn dood vasthouden aan Zijn leer en proberen te leven naar Zijn voorbeeld, maar alle kans dat het met hen net zo gaat als met de anderen, die ook een ideologie nastreefden. Er zijn voorbeelden genoeg. Nog niet zo lang geleden was er een zekere Theudas, die zei ook van zichzelf dat hij wat te betekenen had. Toen hij omgebracht was, werden zijn vierhonderd volgelingen verstrooid en zijn tot niets geworden (5: 36).

Een dertigtal jaren geleden, in de tijd dat de gehele wereld beschreven moest worden was er een zekere Judas, die ook een behoorlijke aanhang had, maar ook hij is verdwenen en ook allen, die hem gehoor gaven (5: 37). Er mag toch de verwachting zijn dat het nu ook zo zal gaan met Jezus, met Zijn leer en met Zijn leerlingen. Die kunnen wel vertellen, dat die Jezus is opgewekt en je kunt je daarover wel vreselijk opwinden, ze gevangenisstraf geven, ze geselen (5: 40) en proberen hun de mond te snoeren, maar ach, hun waanideeën zullen wel weer wegebben. Bovendien gaat het gerucht dat ze onderling ook nog al wat onenigheid hebben. Het gaat vanzelf wel over.

Het gaat niet over! Hoe kan dat? Dat kan, omdat het geen werk van mensen is. Een van de meest bekende theologen van die tijd, Gamaliël, een man van eer en aanzien, was al op dat idee gekomen. Op een neutrale manier heeft hij die suggestie gewekt. Laten we maar eens achteraf kijken hoe het afloopt. Hij herinnert het Sanhedrin aan Theudas en Judas, over hun opgang, aanhang en teloorgang. Zou hij er enig idee van hebben gehad, dat hij op die manier in een passief afwachtende houding, feitelijk vijandig stond tegenover de Allerhoogste? Het valt te verwachten dat hij daar geen idee van heeft gehad. Deze grote schrift- en wetgeleerde geeft wel een wijze raad, maar er is niets merkbaar van een kiezen voor de opgestane Paasvorst en de werkingen van de Heilige Geest in zijn leven.

Nu die priesters. Die kiezen wel. Niet allen, maar velen geven gehoor aan het geloof in de Heere Jezus. Dat is diep ingrijpend in het volksleven en in hun persoonlijk leven. Zij immers vormden de geestelijke adel en waren ver verheven boven de schare, die de wet niet kende. De priesters waren daar voortdurend mee bezig en vervulden heel wat taken in en rond de tempel, bij altaar en offer. Nu verlieten zij dit alles voor het Offer aan bet kruis gebracht. Onze tekst, die toevoeging bij het bericht dat het woord van God zich snel uitbreidde, is één jubelend zegelied voor de triomferende Christus. Zelfs priesters kunnen zalig worden. Dat heeft de Heere Jezus ook voorzegd: “zo wanneer Ik van de aarde verhoogd zal zijn, zal hen allen tot Mij trekken“. Ook de priesters, die een totaal andere Messiasideaal voor ogen hadden dan een lijdende Knecht. In hun ontoegankelijke, vijandige kring gaat Gods Heilige Geest werken. Ook hier geldt: “lk zal werken en wie zal het keren?” (Jes. 43: 13).

Die priesters kwamen tot inkeer, omkeer en bekering en toen moest alles dat van henzelf was er aan. Innerlijk en uiterlijk. Ze werden zondaren voor God en ontdekten dat een zondaarshart alleen rust kan vinden bij de grote Hogepriester, Die Zichzelf als zoenoffer bracht.
Ze werden volgelingen van Christus en dat gaf consequenties voor hun dagelijks beroep, het priesterambt, hun ambtskleding en hun taalgebruik. Volgeling van Christus worden betekende ook vervolging en verdrukking. Petrus en de andere apostelen waren al enige keren gevangen genomen.

Wat heeft het ons te zeggen? Wij leven in een tijd waarin velen geen gehoor meer geven aan het geloof in de Heere Jezus Christus. Het getal der discipelen vermenigvuldigde zeer, lezen we. Wanneer wij de getallen bekijken in stad en land dan vermindert het getal der discipelen zeer. Is er ook als reden aan te geven dat wij de moed van de apostelen missen om te getuigen? Ontbreekt bij ons: “wij kunnen niet nalaten te spreken van wat we gezien en gehoord hebben?” (Hand. 4 : 20). Hebben wij nog de moed te getuigen voor mensen, die laag of hoog op de maatschappelijke ladder staan? Bezitten wij de kennis en kunde nog wel om aan anderen door te geven wie en wat de Heere Jezus Christus is? Onderkennen wij de tijdgeest, die velen in zijn ban heeft en zijn we zelf voldoende uitgerust met de Heilige Geest? Zijn wij zelf wel het geloof gehoorzaam? Zullen we dan niet persoonlijk en als gemeente en allen tezamen de Heere God aan moeten lopen gelijk een waterstroom, zodat Zijn Geest meer gezien en gehoord wordt in de samenleving van vandaag. Dan alleen kan het weer doordringen tot land en volk: “0 land, land, land, hoor des Heeren Woord, het zal zijn zo gij u niet bekeerd, dat ge geen dageraad hebben zult.” Jer. 22: 29.( SV)
Dan alleen kan het weer worden: en een talrijke schare gaf gehoorzaam gehoor aan het geloof. Ook de priesters.

Iz. Born

(Afbeelding door Arnaud 25 (Eigen werk) [CC BY-SA 4.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)], via Wikimedia Commons