OMA (overdenking ons kerkblad oktober 2016)

Als ik in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs……..” 2 Timótheüs 1: 15a

Paulus schrijft een brief aan Timótheiis. Terwijl hij daarmee bezig is denkt hij opeens aan de moeder en grootmoeder van Timótheüs Hij schrijft over ze en wat hij over die oma schreef zijn de woorden van deze overdenking. Die oma heette Loïs ,,de Welgevallige” en verder is het een onbekende vrouw. Zoals er vandaag ook duizenden onbekende oma’s zijn. Toch is deze vrouw voor velen geen onbekende. Dat komt door bovenstaande brieffragment. Daarin vallen twee dingen bijzonder op over wat er geschreven staat over het geloof van die oma.
Daarom stond ze bekend in de familie en daarbuiten. Dat was niet zómaar een kerkmens en niet zómaar een mens die weleens over de Heere God sprak. Ze droeg dat ook uit en nu staat er allereerst dat haar geloof ongeveinsd was. Dat is oprecht en eerlijk gemeend.

Nu is al vanouds bekend en beleden dat genade geen erfgoed is en geloof ook niet, maar ook “voor u is de belofte en voor uw kinderen en allen die verre zijn”. Daarom is het van zo groot belang en zo levensbepalend waar en hoe en bij wie iemand geboren wordt en of hij of zij ook onderwezen wordt in het ongeveinsd geloof. Dan kunnen ouders of grootouders nooit dat geloof geven, immers geloof is een gave van God en wordt gewerkt door de Heilige Geest, maar ze kunnen dat wel doorgeven. Zó doorgeven, dat moeder en kind, oma en kleinkind er alle drie door,,begeesterd” worden.

Nu het tweede. Paulus schrijft, dat geloof in die oma woont! Ook in die moeder en ook in Tim6theiis zelf. Ongeveinsd geloof woont in de harten en in het leven van de oprecht gelovigen. Het is merkbaar in handel en wandel, in woorden en werken, in de bezielende kracht, die het uitstraalt.

Paulus legt niet zonder reden verband tussen de geloofsuitingen van deze drie generaties in de familie. Het één heeft te maken met het ander. Oprecht geloof wekt tot gezonde jaloersheid en versterkt het verlangen: dat wat mijn oma bezit, zou ik ook zo graag willen bezitten en oma maar doorgeven, mijn kleindochter Aniek, mijn kleinzoons Abel en Joris en vult u zelf maar de namen in van uw kleinkinderen, het is door de Heere Jezus, om niet te verkrijgen bij de Heere God.

Dat is wat, zo’n oma! Heb jij of bent uzelf zo’n oma? Die niet net doet alsof, niet gespeeld, niet huichelachtig, maar… oprecht. Kinderen en kleinkinderen voelen dat aan. Ds. Veldkamp schrijft daarover in zijn boek,,Moeders in de Bijbel:”Oma, u zegt dat wel, maar u meent het niet echt. U doet wel vroom, maar u bent het niet echt’.

Nu zijn er kleinkinderen die zeggen: “Mijn oma doet ,ergens ” aan en als ze daar gelukkig mee is, moet ze dat zeker niet nalaten. Voor mij hoeft dat niet, want ik zie er weinig heil in”. Bij een oma, met een inwonend, oprecht geloof bezorgt zo’n kleinkind een hoop verdriet en een heleboel werk. En de kleinkinderen, die wandelen in de voetsporen van het ongeveinsd geloof? Die bezorgen ook een heleboel werk.

U weet het toch, hoe meestal het hart van een grootmoeder trekt naar haar kleinkinderen. Soms nog meer dan naar haar kinderen. Af en toe is er de gedachte, ik ben oud en uitgeschakeld en sleep een versleten lichaam voort. Wat zou ik nu nog? Wel, hard werken in het gebed. Immers, groots is uw roeping en heilig uw taak. Hoe moeilijk ook de weg kan zijn, draag toch maar uit, uit welke Krachtbron u leeft: ,in God is al mijn heil, mijn eer”. Over zulke oma’s lees ik: ,in de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen… om te verkondigen, dat de Heere recht is” .
Iz.Born